De Qin-dynastie (vereenvoudigd Chinees: 秦朝; traditioneel Chinees: 秦朝; pinyin: qinchao; Kantonees: Chun Ch'iew)(spreek uit:Tsjin) werd opgericht in 221 v.Chr. en kwam in 206 v.Chr. ten val.
Zie Qin (staat) voor het hoofdartikel over dit onderwerp. |
Gedurende de Periode van de Strijdende Staten was de staat Qin steeds sterker geworden en onderwierp de ene na de andere vijandige staat. Met de verovering van Qi herenigde Qin het eeuwenlang verdeelde China.
In deze Chinese dynastie werd voor het eerst in China een keizer benoemd. Hiermee begon ook de traditie van de keizer als leider. De naam China is van de naam van de Qin-dynastie afgeleid. De stichter van de dynastie was Qin Shi Huangdi, die wel als de eerste keizer van China beschouwd wordt omdat hij het hele rijk verenigde. Deze keizer heeft twee opmerkelijke zaken nagelaten: het eerste deel van de Chinese muur en het terracottaleger dat om zijn graf werd gezet.
Het Chinese rijk onder de Qin-dynastie
Na Qin's dood regeerde zijn zoon slechts vier jaar, waarna het land weer in chaos verviel. In 206 v.Chr. werd de Qin-dynastie voorgoed omvergeworpen door rebellen onder leiding van Liu Bang. Echter kwam er een andere rebellenleider op het toneel, Xiang Yu. Na een vier jaar durende oorlog tussen de twee rebellenlegers versloeg Liu Bang zijn tegenstander in de Slag bij Gaixia in 202 v.Chr., en riep zich uit tot eerste keizer van de Han-dynastie.
|