De Periode van Lente en Herfst (春秋時代) was een tijdperk in de Geschiedenis van China. Deze werd voorafgegaan door de Westelijke Zhou-dynastie en gevolgd door de Periode van de Strijdende Staten.
De periode begint in 770 v.Chr., wanneer de hoofdstad van de Zhou-dynastie verplaatst wordt naar Luoyang. Dat was omdat de westelijker gelegen hoofdstad Hao was verwoest na een aanval van barbaren. De Zhou-koning was daarbij omgekomen, en zijn zoon de prins verhuisde daarom naar 'veiliger' gebied. Echter was de balans tussen hem en de leenmannen uit evenwicht geraakt; de koning was officieel nog de baas, maar de leenmannen gingen voortaan hun eigen weg, en het was voor de koning onmogelijk zijn gezag te herstellen. Voortaan regeerden de Zhou-koningen enkel over het 'Koninklijk Gebied', dat niet meer was dan de stad Luoyang en de omgeving.
bewerk Burgeroorlogen
De 'leenmannen' werden al gauw krijgsheren die elk een staat opbouwden en met elkaar oorlog voerden. In het begin waren dat slechts kleine veldslagen, maar later werden dat grote oorlogen, waarbij soms staten het land van hun buurman volledig veroverden. De vele kleine staatjes maakten plaats voor steeds grotere staten. Belangrijk was vooral toen de sterke staat Yue een andere sterke staat, Wu, veroverde in 473 v.Chr.. Soms wordt dit reeds aangeduid als het einde van de Lente en Herfstperiode.
In 403 v.Chr. valt de sterke staat Jin uiteen in Wei, Zhao en Han. De Zhou-koning was machteloos en moest dit eigenhandige optreden slikken. Dit wordt meestal gezien als het begin van de Periode van de Strijdende Staten.
|